Concept

Ideaalbeelden worden steeds groter en onbereikbaarder. Dit komt omdat in onze cultuur jeugd, fitness en schoonheid steeds belangrijker worden, aldus Anneke Smelik. (2006:168)
Alhoewel deze ideaalbeelden steeds groter en onbereikbaarder worden hebben wij deze ideaalbeelden wel nodig voor het vormen van onze identiteit beweerd Lacan (1972). “Ons ego is nooit ‘af’, maar moet steeds opnieuw gevoed en gevormd worden.” Het eerste moment om dat te vormen is wat Lacan de ‘spiegelfase’ noemt. Als je tussen de zes en achttien maanden bent, wordt je meestal op de arm voor je moeder voor de spiegel gehouden. Het kind leert om zichzelf in de spiegel te herkennen en van de moeder te onderscheiden. Het identificeert zich met het spiegelbeeld. Deze identificatie is belangrijk voor het opbouwen van de eigen identiteit. Volgens Lacan is het spiegelbeeld altijd een idealisering. Kijken door de spiegel doe je altijd door de ogen van een ander. Volgens Lacan is dat een tragiek van de mens: “We bouwen onze identiteit op een ideaalbeeld waar we nooit aan kunnen voldoen.”
Hierbij kan de spiegel ook metaforisch genomen worden, zodat het een narcistische blik –gezonde kijk op zichzelf- wordt, die nodig is voor onze identiteit. Maar het probleem is dat de narcistische blik uit de hand aan het lopen is. Waarom moeten we ons spiegelen aan ideaalbeelden, die verre van toereikend zijn?! Zo creĆ«ren we altijd een ontevreden zelf.
Een gezonde narcistische blik versterkt het zelfbeeld, maar in een tijd van plastische chirurgie, anorexia en boulimia is de narcistische blik mislukt. Daarom moet het gezonde narcisme weer bevorderd worden, zodat men bewuster naar zichzelf kijkt en bewuster wordt van zichzelf!